• Contact gegevens

Home Nieuwsberichten De verlossing (sep 2005)

Informatie

  • Home
  • Contact gegevens
  • Journaals / Jornals
  • Nieuwsberichten

Broeder Zon

  • Oprichting Stichting
  • Doelstelling BroederZon
  • Schenkings gegevens

IRMÃO SOL

  • Waar werkt IRMÃO SOL
  • Huizen van IRMÃO SOL
  • Het doel van IRMÃO SOL
  • Histories overzicht
  • ASSOCIAÇÃO IRMÃO SOL

De verlossing (sep 2005)
Rio de Janeiro binnenrijden is niet moeilijk. De BR101 gaat vanzelf over in de Avenida Brasil, de slagader van de stad. Ik volg de bordjes "centro" en daarna "Botafogo" en "Copacabana". Voor het laatste stukje krijg ik hulp van een collega motorrijder. Hij gaat me voor naar de wijk Humaita en levert me af voor de jeugdherberg. Als ik bij het centrum ben zie ik het beeld van Christus Verlosser op een hoge spitse berg boven de stad. Het symbool van Rio de Janeiro. Hij strekt zijn armen uit in een grote omhelzing van de stad. Dat Jezus goddelijk was, een incarnatie van God, is pas besloten op het Concilie van Nicea in 324 (of daaromtrent), bijna 300 jaar na Zijn dood. Daar, op dat concilie, is de grootste mythe van de mensheid geboren: God is mens geworden om met ons te lijden, ons te verlossen uit onze menselijke gevangenis en ons te verheffen.

Geen dood maar eeuwig leven. Die mythe houdt honderden miljoenen op de been en die mythe heb ik nergens beter uitgedrukt gezien dan hier in Rio, in dat beeld. Natuurlijk ben ik er onmiddellijk naar toe gegaan; met een taxi naar de voet van de berg en vandaar met een treintje over een tandradbaan naar boven. Het beeld is kolossaal, meer dan 30 meter hoog, en opgetrokken uit beton. Bij die massa en in dat materiaal is het beeld toch van grote schoonheid (het had gemakkelijk een plomp ding kunnen zijn). Christus Verlosser, in Art Deco, heeft een mooi sereen gelaat. Met Hem kijk ik uit over de stad die Hij omhelst. Hij heeft gelijk: Rio is de mooiste en de mooist gelegen stad ter wereld. Ik zie de baai, de witte boogvormige stranden van Copacabana en Ipanema, de hoogbouw en de groene heuvels waarin de stad is ingebed. Voor me ligt de Suikerbroodberg, dat andere symbool van Rio, als een enorme granaat. Het is, ik ben daar zeker van, een vulkanische neck, de opvulling van een kraterpijp. Ook de berg waar Christus Verlosser staat is zo'n neck en ik zie er nog een paar. Het moet hier ooit gekookt hebben. Daar te zijn, met Christus, en uit te kijken over de stad is een heel grote ervaring.

De Lonely Planet schrijft "Ga niet, nooit een favela binnen". Een favela is een sloppenwijk. Ik ben in een favela geweest. Niet schrikken: ik was er met een gids; een tripje. Ik wilde weten hoe het leven in zo'n favela is. Ik was bang dat het aapjes kijken zou zijn, vanachter een veilig busraampje. Ik vind dat armoede en ellende geen toeristische bezienswaardigheid kan zijn. En ik was bang dat het erg riskant zou zijn. "Nee" zegt de manager van het hostel "U gaat te voet door de favela. Het is veilig; u kunt uw camera meenemen en foto's maken". En ik doe er ook goed werk mee. In Brazilie is alles "eco" (ecologia of economia?) dan wel "social".
Van mijn geld wordt een kinderdagverblijf gefinancierd. Dat wil ik wel want ik houd van kinderen.

De gids heet Luis en zijn organisatie "be a local". Behalve de favelatour organiseert hij favelaparties en uitjes naar het voetbal. Voor dit tripje heeft hij, buiten mij, nog vier andere klanten. We gaan naar de favela Rochina in het zuiden van de stad. 20% van de bevolking van Rio woont in een favela en Rochina is met 200.000 inwoners de grootste (deze en alle feiten die hier na komen zijn van Luis). De wijk staat niet op mijn kaart en hetzelfde geldt voor de 300 andere favela's van Rio. Waar de wijk moet liggen is mijn kaart maagdelijk groen. De hotelbebouwing langs het strand is wel aangegeven. Het Sheraton, dat met vijf sterren behoort tot de duurste hotels van Rio, ligt zo dicht tegen de sloppenwijk dat de gasten de bonen op het bord van de bewoners moeten kunnen tellen, als ze een verrekijker hebben. Met hetzelfde instrument moeten de bewoners de diamanten in de halssierraden van de dames in het hotel kunnen tellen.
Luis parkeert de auto aan de rand van de wijk, in de veilige zone van de hotelbebouwing. Rochina is steil tegen de berghelling op gebouwd. De bewoners genieten van een fabelachtig zeegezicht. Net als de gasten van het Sheraton. We gaan verder met een motortaxi. Jonge jongens op lichte motoren en wij achterop. Ze slalommen tussen bussen en auto's door, over adembenemend steile hellingen met haarspeldbochten. Het is vreselijk druk. Ik heb zo'n 200.000 kilometer motorrij-ervaring maar dit doe ik ze niet na. Ik zou hier peentjes zweten. Boven hebben we zicht op de hele wijk, een zee van huisjes. Luis legt uit: "Dit is de hoofdstraat. Daar is het postkantoor. Het postbedrijf bezorgt tot dat gebouw. Van daar nemen
mensen uit de wijk de bezorging over. De bewoners betalen daarvoor elke maand 1 dollar". Hij wijst op een klein gebouwtje, het medisch centrum: "Dat is natuurlijk niks voor tweehonderdduizend mensen maar het is een begin". Het is duidelijk: Luis is trots op 'zijn' wijk, ook al woont hij er zelf niet. "Kijk om je heen. Wat zie je? Allemaal stenen huizen. 'Favela' is het woord voor hout. De houten huizen zijn al lang geleden vervangen door stenen huizen. Er is vooruitgang". Ik kijk neer op keurig betegelde dakterrassen. Allemaal verschillende tegels, netjes gelegd in leuke motieven. "Die mensen werken in de bouw en ze mogen de restjes meenemen" verklaart Luis. We lopen naar beneden. Niet over de hoofdstraat (Luis: "er zijn ondernemingen die favelatours organiseren met een bus. Alleen over de hoofdstraat. Dat is pas aapjes kijken") maar door het inwendige van de wijk. Vreselijk nauwe steegjes. Luis: "Twintig jaar geleden kon hier een auto rijden. De mensen hebben hun huizen
geleidelijk uitgebouwd en nu is dit steegje nog over. Dat is ook vooruitgang". We passeren kruideniers en slagers, drogisten en kapperszaken. De produkten zien er goed uit. Kinderen hollen door het steegje, in het wit-oranje T-shirt van de gemeenteschool en het schooltasje op de rug. Ze gaan naar school voor halve dagen, als alle andere Braziliaanse kinderen (een schoolgebouw wordt hier drie keer per dag gebruikt: 's morgens, 's middags en 's avonds.
De ochtendlessen beginnen om zeven uur en duren tot twaalf uur. Dat is overal zo in Brazilie). In een hoek ligt een stapel vuilniszakken. Vuilnismannen zijn bezig de rommel op te ruimen. Ze dragen een shirt van het gemeenschapsproject. Het is redelijk schoon in de wijk. Deze wijk heeft een normale economie, zij het op microschaal, en normale dienstverlening. We moeten even plaats maken want er komt een enorme neger voorbij met een spiksplinternieuwe wasmachine op schouder. Hij houdt het ding met een hand vast en groet ons met de ander. Net als wij zeggen de Brazilianen "hoi". Luis: "kijk eens binnen in de huizen. Wat zie je? Televisie en radio en de meesten hebben ook een koelkast en een wasmachine. Allemaal gekocht op afbetaling. Zo gaat dat hier". Het gemiddelde inkomen ligt rond de 500 reais (200 dollar) per maand. Ongeveer de helft van de mensen heeft een baan -
Luis wijst naar beneden, naar de kust - in de hotels en restaurants (ik kan nu geen ober meer zien zonder te denken "kom jij ook uit zo'n wijk?"). De bewoners betalen geen belasting (ze zouden voor de geleverde electriciteit moeten betalen maar omzeilen de meters. Luis tikt tegen een meter; die staat op 1). Maar wonen in Rochina is duur. De huurprijzen liggen rond de 400 reais (180 dollar). Aan nieuwbouw valt niet te denken: elk bruikbaar plekje is al benut.

We bezoeken het cultureel centrum. Ja hoor, Rochina heeft een cultureel centrum. Het wordt gesponsord door Petrobras en de Banco de Brasil en nog wat grote ondernemingen. Er wordt veel gesponsord; "social" heet dat. Binnen is een computerlokaal, een zaaltje en een kunstatelier. En hier is de kunst waarnaar ik in Brazilie heb uitgekeken: kleurig en vrolijk; volkskunst, kunst van het hart, geen intellectuele kunst die zich druk maakt over stijlen en stromingen, "conceptueel" of "experimenteel" is. Ik vraag aan de kunstenaar of ze connecties hebben. Jawel, af en toe proberen ze wat te verkopen aan de toeristen langs het strand. Zo kom je van de kunstbusiness in de souvenierbusiness. Ze hebben geen relaties met galeries en dan wordt het erg moeilijk van de kunst te leven. Jammer. Tegen de deurpost hangt een lange zwarte slungel, het type waaraan Brazilie erg rijk is. In het uniform van de armen: kniebroek met elastiek, voetbalshirtje en slippers aan de pootjes. Douglas heet 'ie en in zijn handen heeft hij een werkje dat hij mij wil laten zien en natuurlijk verkopen. Het is een gezicht op Rio; kleurrijk en kinderlijk geschilderd met acrylverf op hardboard. Ik koop het voor dertig reais, als aanmoediging en in de hoop een vroeg werk te hebben gekocht van een later heel beroemd kunstenaar.

Verder naar beneden. De wijk is boven redelijk schoon maar nu wordt het toch viezer. Veel zwerfvuil en het stinkt er. Het pad wordt glibberig en er liggen hondendrollen (Luis: "loop daar niet in, denk aan mijn auto"). Ook vuil gehoorzaamt aan de wetten van de zwaartekracht. Boven is het betere deel van de wijk, de goudkust zeg maar. In de verte klinkt het geknetter van vuurwerk: benden die waarschuwen voor de komst van de politie of elkaar. Zo gewoon is de wijk nou ook weer niet. Plotseling wordt Luis paniekerig: "niet fotograferen, nu niet fotograferen". Er staan drie jongens met vuurwapens op het platte dak van een huis. Even later passeren we er in de steeg nog twee, met het pistool in de hand. Het zijn leden van
de AdA-bende, Amigos de Amigos (vrienden van vrienden), die een jaar geleden hun deel van de wijk hebben veroverd en nog niet helemaal zeker zijn van hun positie. De ontmoeting is het spannendste deel van de trip. Luis weet niet hoe snel hij ons het kinderdagverblijf moet inloodsen en daar kijkt hij nog een paar keer door het raam naar buiten. Hij is heel zenuwachtig geworden. Ik vraag hem er later naar maar hij wil er niet over praten. "Er is niets gebeurd" zegt hij.

Het kinderdagverblijf wordt gesteund door "be a local" en behoort tot de verplichte nummers van de trip, net als het bezoek aan het cultureel centrum. Er hangen briefjes in het Engels met het verzoek de lokalen niet te betreden met schoenen aan, vanwege het straatvuil, en er is natuurlijk een donatiebus. Het is een kleurig gebouw, als elk kinderdagverblijf, met witbetegelde vloeren, zalmkleurige muren, matjes en bedjes, tekeningen en knipsels. Er is een badruimte, brandschoon, en een keuken. Ik zie drie groepen kinderen, peuters en kleuters; ongeveer dertig. De naschoolse opvang moet nog komen. Er worden drie maaltijden per dag verzorgd; vanmiddag eten de kinderen kip met rijst en bonen en gekookte groenten. Deze kinderen krijgen thuis niet te eten; de ouders zijn aan de drugs of de drank, vaker aan allebei. Ik vraag of honger voorkomt. Ja, het komt voor. In dit land, waar eten vaak de dimensie van een grande bouffe nadert, komt honger voor. Ik vind dat onverteerbaar.

Dan zijn we plotseling beneden, aan de grote weg op de grens van de favela en de 'gewone' wereld. De overgang wordt treffend gemarkeerd door een politieauto met zwaar gewapende en kogelwerende vesten dragende agenten. Luis: "als jullie hier nu niet met mij zouden zijn, dan zouden ze jullie van top tot teen hebben gefouilleerd op het bezit van drugs". Het is onzinnig: in de straat van de jeugdherberg, in de keurige wijk Humaita, staat een jongen die
cocaine verkoopt (hij sprak me aan, Ik begreep eerst niet wat hij wilde. Toen hij een neusgat dichtdrukte en snoof begreep ik wat hij wilde). Je hoeft Rochina niet in om drugs te kopen. De handel wordt thuis bezorgd.

Rochina is me meegevallen maar Rochina is dan ook een 'geurbaniseerde' favela, een 'betere buurt' (inmiddels weet ik dat het veel erger kan zijn maar naar die buurten gaat "be a local" niet; Luis is niet suicidaal). Armoede zoals ik op veel andere plaatsen ben tegen gekomen. Khumsan in Luxor woont met 10 familieleden in een klein bakstenen huisje van twee kamers. In Centraal Azië en Rusland maakte ik kennis met de armoede van de lege maag (dat is niet hetzelfde als honger; erg lang een lege maag hebben leidt tot honger): "alstublieft, koopt u een broodje voor me, alstublieft". De armoede van Khumsan is 'nette armoede'. Rochina is een achterbuurt, een buurt met eigen normen en regels, een buurt waar niet de overheid de baas is maar de benden. Dat is, denk ik, het probleem van Rochina en dat is een heel taai probleem. Het is niet het probleem van een onverschillige overheid of een onverschillige samenleving. Rochina mag dan niet op de kaart staan, er is wel een buslijn, er is electriciteit aangelegd, er is een medisch centrum en langs de steile berghelling is een aquaduct aangelegd om te voorkomen dat de wijk door het regenwater wordt weggespoeld. Het is misschien niet voldoende maar het is zeker ook geen onverschilligheid. Het bedrijfsleven sponsort talloze projecten en zet mensen aan het werk. De jongens van de motortaxi dragen hesjes van de Banco de Brasil. De helft van de bevolking van Rochina heeft werk. Dat is niet voldoende maar op het vlak van 'werk, werk, werk' levert Brazilie prestaties die op mij grote indruk maken. Er zijn hier gigantische legers vuilnisophalers, plantsoenarbeiders, parkeerwachters (in een hesje met 'estancionamente' er op en de vergunning om de nek), koeriers. Op elke bus zit een chauffeur en een conducteur en er zijn vreselijk veel bussen. De omvang van de bewakingsindustrie is verbijsterend. De jeugdherberg heeft full time een bewaker in dienst - naast acht andere medewerkers - die niets anders doet dan staan. De leden van de middenklasse hebben allemaal een hulp in de huishouding; de rijken bovendien nog een tuinjongen en een kindermeisje. Als ik bij Lav&Lev mijn wasje doe zie ik de een na de ander - op de fiets met een mand voorop - de hemden van meneer en de jurken van mevrouw brengen of halen. Dan heb ik het nog maar niet over de enorme aantallen taxichaufeurs, obers,
krantenverkopers. Allemaal eenvoudig ongeschoold werk; het soort werk waar de bewoners van de favela's mee uit de voeten kunnen. Ik vraag me af of er nog een werkgelegenheidsgaatje te vinden is en nog is het niet voldoende.

De verlossing moet van de mensen zelf komen. Ruding, de voormalige minister van Financien, had wel gelijk met zijn opmerking over "bij tante Truus blijven zitten". Hij besefte niet hoe moeilijk het is om uit de gevangenis van de omgeving en in beweging te komen. Het kan. In Foz de Aguacu - beroemd van de watervallen en de Itaipu stuwdam - zag ik hem staan. Op een kruispunt met een spandoek "Droga Mata Jesus Liberta" - drugs vermoorden, Jezus bevrijdt - helemaal alleen. Dat vind ik durven want je staat daar goed voor paal. Ik wil een foto van hem maken, vraag of het mag (het mag) en zo raken we in gesprek. Hij heet Ronaldo, komt uit Sao Paulo en zijn verhaal is klassiek: "Ik was verslaafd aan de drugs. Ik was er erg aan toe. Ik had geen vrienden. Toen kwam er iemand naar me toe en nodigde me uit mee te gaan naar een bijeenkomst van christenen. Ik ben er geweest en vond het belachelijk. Toch ben ik nog 'n keer terug gegaan. Toen zag ik dat die mensen vrienden van elkaar waren en elkaar steunden. Dat wilde ik ook want ik had geen vrienden. Ik wilde er graag bijhoren maar dan moest ik van de drugs af. Het was heel moeilijk maar de mensen hebben me vastgehouden en voor me gebeden totdat ik was afgekickt. Toen kon ik een nieuw leven beginnen. Op 'n keer werd er gesproken over de strijd tegen de drugs. De drugs komen hier (bij Foz de Iguacu) het land binnen. Ik heb gezegd: ik ga daar naar toe om actie te voeren. Daarom sta ik hier". Ronaldo lacht stralend in de camera. Gedurende zijn hele verhaal houdt hij dat spandoek boven zijn hoofd en draait met de verkeerslichten mee. Het kwam niet bij
me op samen dat spandoek vast te houden. Jammer. Jezus bevrijdt, de gemeente biedt het netwerk en zet aan tot actie. Maar je moet het zelf doen.

En zo kom ik bij pater Gijsen in Belo Horizonte, 450 kilometer ten westen van Rio de Janeiro. Ik heb hem opgebeld en een afspraak gemaakt want ik wil meer weten van de verlossing. Pater Gijsen is het gezicht van en de drijvende kracht achter de hulpverleningsorganisatie Irmão Sol, Broeder Zon. Hij heet hier Frei Mariano maar ik spreek hem gewoon aan met "pater". Dat ben ik gewend. Hoe gaat het hier, pater? Hij is geen man van fluwelen inleidingen. "Er worden hier (in Belo Horizonte) gemiddeld per week 25 jongens vermoord. Jongens in de leeftijd van 14 to 24 jaar, soms van 30. Er is hier nu een meisjesoverschot. De slachtoffers zijn kleine drugshandelaartjes. Ze zijn zelf verslaafd en gebruiken hun eigen koopwaar. Daardoor kunnen ze de grote dealer niet betalen en die laat ze vermoorden. Hier dichtbij ligt een kleine favela van 250 mensen. Daar zijn er het afgelopen jaar zes vermoord. De gemeente kan het niet schelen. Die is die drugsjongens liever kwijt.". Voor mij is het een schok. De pater is de schok al lang voorbij. Hij is niet onverschillig; het gevoel zit achter zijn zachte ogen en de lichte glimlach, de uitdrukking van de gedachte aan een dierbare. Zo spreekt hij ook; hij heeft het over "goeie jongens" en "beste kerels". Pater Gijsen heeft dik wit haar, een forse neus en stevige lippen; een gebeeldhouwde kop en een knappe verschijning. Hij is 84 jaar. Het is lastig hem te volgen: activiteiten, tijden en plaatsen knoopt hij aan elkaar als zinnen zonder punt. De manier van praten van iemand waarvoor het eigen verhaal vanzelfsprekend is. Voor mij is het detectivewerk. Hij is nu 52 jaar in Brazilië, in Rio de Janeiro en Belo Horizonte en misschien in nog wel in andere plaatsen. "Eerst vingen we vooral straatkinderen op. Toen kwamen er veel die door de kinderrechter aan de ouderlijke macht waren onttrokken. Dat met die drugs is pas de laatste anderhalf, twee jaar een probleem geworden. Het zijn de drugshandelaren uit Rio die naar hier zijn gekomen".

Wat doet U daaraan, pater? "Ik ga naar die jongens toe en zeg: "als je op straat blijft ga je dood". De meesten kan dat niet schelen. Ik nodig ze uit om hier te komen. Het eerste dat ze doen als ze hier binnen komen is kijken hoe ze er weer uit kunnen en dan zien ze de tralies voor de ramen. Het ritme is ook niks voor ze: om zes uur op, naar de kerk en dan naar school". Hij vertelt een anekdote. "Een bendeleider - 'kolonel' heet dat hier - zegt tegen me: jij pakt mijn kinderen af. Ik heb hem gezegd: "dat is jouw probleem. Jij bent niet goed voor ze. Je woont zelf in een huis en trekt je niets van ze aan. Je komt alleen 's avonds om opdrachten te geven". Pater Gijsen grinnikt. Achter de anekdote zit geschiedenis die hij me niet vertelt en die ik hoor van anderen. In Rio is hij neergeschoten. Een bendeleider voelde zich door het werk van de pater bedreigd en heeft een jongetje opdracht gegeven hem neer te schieten. Een
splinterkogel in zijn buik. Nog in het ziekenhuis hebben ze geprobeerd de pater te vermoorden. Hij heeft zijn werk in Rio moeten opgeven en is naar Belo Horizonte gekomen. "Hij had geluk" zegt de verteller "tijdens de operatie vonden ze ook een tumor in zijn buik".

Helpt het, pater? Hij pakt een foto: "die leeft weer op straat. Die is terug gegaan naar de favela. Gelijk zeven kogels in zijn kop. Ik heb hem nog gewaarschuwd. En die is aan het werk.". Een van de drie. Hij heeft weer een anekdote: "We hadden er een, Jeremia. Hij werkte
in een bakkerij en daar sliep hij ook want het deeg moet een paar uur werken. Toen werd de bakker ziek. De eigenaar vroeg aan Jeremia "kun jij niet bakken"? Dat heeft hij gedaan en kreeg natuurlijk ook meer betaald. Hij heeft het allemaal opgepot. Op 'n dag was Jeremia verdwenen en niemand wist waar hij gebleven was. Ik herinnerde me dat hij ooit gevraagd had hoe je goedkoop naar het buitenland kon. "Met een pelgrimstocht" heb ik gezegd. Ik ben naar het reisbureau gegaan heb gevraagd of die-en-die geweest was. Jeremia was er geweest. Hij had er een ticket gekocht voor een pelgrimstocht naar Rome. Op 'n dag krijg ik een telefoontje. Van Jeremia uit Rome: "het is hier geweldig en er is heel veel werk". Maar hij sprak geen Italiaans dus dat werd niks. Een tijdje later krijg ik weer een telefoontje van Jeremia, nu uit Lisabon. Hij zat daar op een kamer met drie Marokkanen. "Vervelende kerels" zei hij. Nog een tijdje later weer een telefoontje. Hij had nu een eigen huis. En daarna belde ie "ik zit bij Londen". "Werk je daar?" vroeg ik. "Nee, ik ben op vakantie!"." Een succesverhaal.

Is het probleem oplosbaar, pater? "Jawel, Brazilië is een rijk land hoor. Maar het geld is in handen van een kleine groep. Ze bewaren het op buitenlandse banken. Geld moet niet bewaard worden, geld moet werken!". Ik houdt hem voor dat, naar mijn waarneming, de middenklasse en de rijken personeel tegen de klippen op aan het werk houden.
"Ja" zegt pater Gijsen "er is aantrekking maar ook afstoting en er is meer afstoting dan aantrekking". En daar is de anekdote weer. "Kinderen hingen rond op een plein. Het was openbaar terrein. De bewoners van de omliggende appartementen bekeken met verrekijkers
>wat die kinderen daar deden en belden de politie. Die joeg de kinderen weg hoewel het openbaar terrein was". Huizen in Braziliaanse steden zijn bijna allemaal omgeven door hoge hekken met punten en daarboven vaak ook nog stroomdraad. Dus waarom belden die bewoners de politie? "Je moet begrijpen, die bewoners hebben ook kinderen en die komen uit school zonder tennisschoenen aan de voeten en zonder mobieltje. Zo gaat dat.". Ik zeg het niet tegen de pater maar ik begrijp die bewoners heel goed.

We praten over Nederland en over zijn jeugd. Hij komt uit Wassenaar en heeft in kamp Vught gezeten. "Er was in Den Haag een Duitse generaal doodgeschoten en toen werden er 2000 van ons opgepakt en naar kamp Vught gebracht om vandaar naar andere kampen in Duitsland
te worden getransporteerd. De Duitsers hadden een eenvoudige regel: voor elke vluchteling wordt een achterblijver doodgeschoten. Op 'n dag was er een weg. We moesten allemaal aantreden en er werd er een aangewezen voor het vuurpeloton. De commandant van de troep wilde hem blinddoeken. Hij weigerde. Hij zei "jullie nemen mijn leven niet. Ik geef het". Misschien dat een van die soldaten zich dat herinnert.". Als er een is die het zich herinnert en voor wie die gebeurtenis beslissend moet zijn geweest voor het leven, dan is het pater Gijsen zelf. Waarom doet u dit werk, pater? "Je leeft niet voor jezelf. Dat heeft geen zin. Je leeft voor anderen. Dat doe je niet voor de verdiensten maar uit liefde". En, hop, daar is de anekdote. "Een oud vrouwtje deelde elke dag brood uit aan de straatkinderen. Toen ging ze dood. Ze kwam in de hemel en kreeg een plaats op de achtste rij. Op 'n dag was er een enorm rumoer bij de hemelpoort. Petrus ging kijken. Het waren de straatkinderen. "Laat ze binnen" zei God "want het zijn mijn kinderen". Ze kwamen binnen en kregen een plaats op de eerste rij. Het oude vrouwtje stond op en vroeg het woord. "Ga je gang" zei God. "God, dit is groot onrecht.
Ik heb ze brood gegeven en ik zit op de achtste rij. Zij hebben alleen maar op straat rond gehangen en zitten op de eerste rij". "Dat klopt" zegt God "jij hebt ze brood gegeven. Niet uit liefde maar om in de hemel te komen. En in de hemel ben je nu"." Pater Gijsen lacht.

Het wordt 12 uur. Jeanne komt binnen. Ze is uit Nederland en hier om een campagnefolder voor Irmão Sol te maken. En Abel komt binnen. Een magere jongen met droeve oogjes. Hij heeft AIDS. Abel en Jeanne hebben iets te bespreken en pater Gijsen heeft een afspraak. "Ga
morgen mee naar het sportveld" nodigt hij uit "dan kun je de jongens zien".
Dus ga ik de jongens zien en wacht de volgende ochtend op de pater voor zijn kantoor. Hij is wat laat - voor Braziliaanse begrippen mooi op tijd - want hij had nog biechtelingen. "De biecht is tegenwoordig een heel gesprek" zegt hij "dat kun je niet precies plannen". We rijden naar het sportterrein maar feitelijk naar het jongenshuis waaraan het terrein is vastgeplakt. Het huis is een laag gebouw met een tuin op de binnenplaats. Eromheen liggen de kamers van de jongens. Een kamer voor twee jongens. "Meer gaat niet want dan breken ze de boel af". Twee bedden en in de voorruimte van de kamer een bureautje met wat boekenplanken. Voor het huiswerk. Op de hoeken van het huis is de keuken, de eetzaal, de kapel en een ruimte voor algemeen gebruik. Alles is betegeld. Er is geen geld over de balk gegooid en toch straalt het huis geen armoede uit. Knappe bouw.
Er zitten jongens van 14 tot 18, de pubers. Ze worden hier voorbereid op een zelfstandig bestaan. Als ik er ben zijn er ook veel kleintjes uit andere opvanghuizen. Ze zijn naar hier gekomen voor de sport en voor de gebedsdienst want morgen is het Pinksteren. Onder het kruisbeeld staat een tafel en een stoel voor de pater. Er omheen stoelen voor de jongens, de kleintjes vooraan, de groten achteraan. Pater Gijsen heeft een mooie melodieuze stem - geknipt voor het Portugees - en aan de toon en zijn gebaren maak ik op dat hij een verhaal vertelt. Mijn kennis van het Portugees is minder dan rudimentair; ik begrijp er flarden van. "Er is de Vader, de Zoon en de Heilige Geest maar er is 1 God" en "de paus sprak wel 65 talen". De kleintjes steunen met de ellebogen op de tafel en ik zie veel glinsterende oogjes want de pater vertelt goed. Het zijn allemaal 'goeje jongens' en 'beste kerels'. Een klein jongetje vraagt waarom Herodes kleine jongetjes liet vermoorden. De aanleiding voor de vraag ontgaat me evenals het antwoord van de pater maar de vraag heeft hier, in Brazilië, een zeker praktisch gehalte. Ik zit naast een grote lobbes met heel domme ogen; het type waarvan je je ook in Nederland bezorgd zou afvragen hoe 'ie ooit goed terecht moet komen (later hoor ik dat er "iets" niet goed is in zijn hoofd). De dienst wordt afgesloten met het gezamenlijk gebed - de lobbes heeft een heel grote warme slappe hand - en dan op naar het sportveld. Naast het huis liggen sportvelden en een klein zwembad. Er is een voetbalveld met het formaat voor zaalvoetbal met een gymzaalvloer en omgeven door hoge hekken. Als het huis zijn ook de sportvelden sober en degelijk.

Irmão Sol heeft een aantal opvanghuizen en elk wordt geleid door een "sociaal ouderpaar" zodat een min of meer normale gezinssituatie ontstaat. Ik heb ze allemaal bezocht. Niet ver van het jongenshuis ligt het meisjeshuis en ik ga er heen met Jeanne. Meiden, van die leuke beginnende vrouwen. Ze wonen met vieren op een kamer; meisjes breken de boel kennelijk niet af. Een meisje drukt me onmiddellijk haar huiswerk onder de neus. Ik moet helpen met Engelse woorden, "bread" en "meat", woorden met dezelfde 'ea'-combinatie die je toch anders uitspreekt. En ik moet de plaatjes van sterren bekijken: Britney Spears, Jennifer Lopez en anderen. Geknipt uit tijdschriften en in lijstjes geplakt zoals meisjes dat overal doen. Ik ken al die sterren niet en ze veranderen nogal eens van uiterlijk zodat ik de draad kwijtraak: "nee, dat is Jennifer Lopez, zie je dat niet". Ik zie dat niet. We lunchen met de meiden. Rijst met bonen, pasta, een schijf gehakt, een glas vruchtensap; het Braziliaanse basisvoedsel. Geen luxe.
Pater Gijsen: "we hadden een kerstdiner georganiseerd. Een van de kinderen zei "het lijkt wel een echt restaurant".". Ik eet doorgaans uitstekend in Brazilië, ver boven het niveau van het basisvoedsel, in kilorestaurants waar je je bord kunt volladen en betaalt voor het gewicht en in rodizio's waar je eet zoveel je kunt voor een vaste prijs. Het is spotgoedkoop, voor mij.

Met William, Braziliaans medewerker van Irmão Sol, bezoek ik de overige opvang. Die William is een opmerkelijk figuur. Hij heeft een goed lijf, traint vast en zeker op een sportschool, modieuze kleren en rijdt rond in een zwarte BMW met getinte ruiten. Een overjarig model dat wel, de naden van de zwartleren bekleding laten los, de voorruit is gebarsten en ik meen een trage motor te bespeuren, maar toch: een BMW. William houdt duidelijk van een prettig leven. Hij gaat niet onder zijn hulpverlening gebukt en dat is goed. Hij zet zich in en toont wezenlijke interesse. Hij is populair en vast en zeker een rolmodel voor de jongens (en meisjes). De opvang: het peuter- en kleuterhuis - veel natte broeken; er is daar een tekort aan menskracht - en het jonge jongenshuis met bengels tot jaar of 14. Leuke brutale gezichten. Het opvangsysteem van Irmão Sol is naar leeftijdscategorie georganiseerd; een doorstroomsysteem. Het sluitstuk is een complex van kleine woningen voor werkende jongeren. Die leven er helemaal zelfstandig, zonder begeleidend ouderpaar. Ze betalen geen huur en kunnen van hun salaris sparen om zelf een huis te bouwen. Zo wordt voorkomen dat ze alsnog op straat belanden. Als we het complex bezoeken is maar een bewoner aanwezig die een vrije dag heeft. De rest werkt, zoals het hoort, in nette banen: een hotel, tuin, laboratorium, motorwerkplaats. Verlost uit een uitzichtloos bestaan en gekomen tot gewoon normaal geluk, moeizaam bevochten.

Buiten het doorstroomsysteem van opvanghuizen biedt Irmão Sol nog andere hulp. We bezoeken een complex van woninkjes die Irmão Sol huurt voor dakloze jonge gezinnetjes. Ruwe, gammele bouw, niet te vergelijken met de huizen van Irmão Sol zelf. De gezinnen hebben een dak boven het hoofd, ze betalen geen huur, en dat is de hulp. Voor de rest moeten de bewoners zelf zorgen. Het complex is groezelig en rommelig maar het gaat: de hulp is net, net voldoende voor een menswaardig bestaan. Een jonge vrouw toont haar pasgeboren baby.
Negen dagen oud, de oogjes nog dicht. Ik feliciteer de gelukkige moeder en bid in stilte voor het kind. We bezoeken een eenkamerwoninkje waarin twee jonge jongens zitten. Ik schat ze rond de achttien, twintig. In het woninkje staat een bank die van het grofvuil moet komen, bedekt met vodden die voor het bezoek opzij worden geschoven, twee oude matrassen waarvan de plastic hoes is gescheurd, een zwart fornuis en een piepklein televisietje waarvan
het snoer kapot is. De jongens giechelen, hangen en liggen op alle manieren, weten zich geen houding te geven. Het zijn gewezen thinner-snuivers. Naar ik begrijp zijn ze nu een week of twee, drie afgekickt. Ik heb vaker lijm- en thinnersnuivers gezien en het is verschrikkelijk, hartverscheurend, een eenzame verdoofde hel op aarde. Lijm en thinner snuiven is funest voor de hersenen. Deze jongens zijn wonderbaarlijk opgeknapt. De een woog nog net twintig kilo toen hij eieren voor zijn geld koos, vertelt William. Hij is nog mager maar niet ongezond. De ander heeft een keurig hip geknipt kapsel met een ingeschoren scheiding en streepjes in de nek, oorringetjes en een ketting rond de hals. Allebei hebben ze levendige ogen, niet die troebele in het niets starende blik die ik bij lijmsnuivers heb gezien. Ze hebben cake gebakken. Die ziet er niet geweldig uit maar: wel zelf gebakken. De hulp van Irmão Sol bestaat uit het kale woninkje, iemand die af en toe komt kijken (ik denk dat ook de buren een oogje in het zeil houden) en de zak snoepjes. Die snoepjes worden leuk verpakt, bij de verkeerslichten aan automobilisten verkocht en zo komen die jongens aan wat geld.
Voor zover ik kan nagaan zijn die jongens grotendeels op eigen kracht van de thinner afgekomen en dat is een prestatie. Nu zijn ze lui, aartslui, en hebben praatjes. Als alle adolescenten. Ze willen avocado's halen bij een van de opvanghuizen en hebben graag dat
William hen even brengt. Ze werken liever niet overdag. 's Avonds verkoop je geen snoepjes dus dat kan niet. William blijft er koel onder; hij neemt wel het tv-tje mee om het snoer te repareren. Irmão Sol heeft ze een strohalm geboden en die hebben ze vastgegrepen. En nu maar hopen dat ze die blijven vasthouden. En dan het absolute dieptepunt: een groepje pubers op een braakliggend veldje achter een schutting; dakloze snuivertjes. Ze hebben het thinnerblik in de hand. Als we met ze praten - over de schutting heen - slaat de weee lucht van het oplosmiddel van ze af. Lege, starende blikken; vlakke antwoorden. Een moet heel diep zijn gevallen: ze heeft een beugel en moet dus van redelijke komaf zijn. William komt kijken of ze iets nodig hebben. Ook voor hen is er een heel klein beetje hulp.

Twee en een halve dag bezocht ik de plaatsen van Irmão Sol en ik ben onder de indruk. Ik ben onder de indruk van de taaie inzet van al die hulpverleners. Ze dweilen met de kraan open - voor elk die de samenleving wordt ingeloodst staat een nieuwe drenkeling klaar - en toch dweilen ze. Dat is bijzonder. Ze doen dat niet om in de hemel te komen maar uit liefde. Dat is een ijzersterke motivatie. Ik ben onder de indruk van de veerkracht van die kinderen. Van het vrolijke ventje naast me dat zo graag zichzelf ziet in de camera. Zijn vader heeft zijn moeder vermoord. Ieder kind in die huizen heeft zo'n soort achtergrond: verlaten, geen thuis, op straat. Ik ben onder de indruk van die snuivertjes die toch weer zo aardig op de pootjes staan dat ze praatjes krijgen. Goeie jongens en meisjes, beste kerels en vrouwen. Ik heb gezien hoe de verlossing tot stand komt. Ik bel de pater om hem te bedanken voor die ervaring. Hij: "Ik ben blij dat je genoten hebt. Leuk he? al die kinderen! "Kan ik nog iets voor u doen, pater? "Nou, eh, nee. Hier niet. Maar als je weer in Nederland bent, vertel dan eens over Irmão Sol. Ze halen wel eens wat geld voor ons op". Dat doe ik graag, niet om in de hemel te komen maar uit liefde voor de pater en zijn werk. Giro 4686948 tnv Broeder Zon, Wassenaar/Wateringen. Misschien, heel misschien, kunnen die kinderen ook 'n keer naar het kilorestaurant; met kerstmis bijvoorbeeld.

Hartelijke groet, Mart

PS: Voor pater Gijsen ben ik naar Belo Horizonte gereden want verder valt hier niet veel te beleven. Irmão Sol, Broeder Zon, verdient steun. Laat me eens weten wat je doet (niet hoeveel, dat gaat me niet aan).

 

Alle kleine beetjes helpen!

Broeder Zon is een Nederlandse stichting die gelden inzameld voor de foundation Irmão Sol in Brazilie.

* ING nr. 46.86.948 t.n.v. Penningmeester Broeder Zon Wateringen.

* ABN-AMRO nr. 4975.55.743 t.n.v. Penningmeester Broeder Zon Wateringen.

Het fotoalbum

Irmaosol - Broeder Zon, Powered by MchL Internet!