Broeder Zon
IRMÃO SOL
| De verlossing (sep 2005) |
|
Rio de Janeiro binnenrijden is niet moeilijk. De BR101 gaat vanzelf over in de Avenida Brasil, de slagader van de stad. Ik volg de bordjes "centro" en daarna "Botafogo" en "Copacabana". Voor het laatste stukje krijg ik hulp van een collega motorrijder. Hij gaat me voor naar de wijk Humaita en levert me af voor de jeugdherberg. Als ik bij het centrum ben zie ik het beeld van Christus Verlosser op een hoge spitse berg boven de stad. Het symbool van Rio de Janeiro. Hij strekt zijn armen uit in een grote omhelzing van de stad. Dat Jezus goddelijk was, een incarnatie van God, is pas besloten op het Concilie van Nicea in 324 (of daaromtrent), bijna 300 jaar na Zijn dood. Daar, op dat concilie, is de grootste mythe van de mensheid geboren: God is mens geworden om met ons te lijden, ons te verlossen uit onze menselijke gevangenis en ons te verheffen. Geen dood maar eeuwig leven. Die mythe houdt honderden miljoenen op de been en die mythe heb ik nergens beter uitgedrukt gezien dan hier in Rio, in dat beeld. Natuurlijk ben ik er onmiddellijk naar toe gegaan; met een taxi naar de voet van de berg en vandaar met een treintje over een tandradbaan naar boven. Het beeld is kolossaal, meer dan 30 meter hoog, en opgetrokken uit beton. Bij die massa en in dat materiaal is het beeld toch van grote schoonheid (het had gemakkelijk een plomp ding kunnen zijn). Christus Verlosser, in Art Deco, heeft een mooi sereen gelaat. Met Hem kijk ik uit over de stad die Hij omhelst. Hij heeft gelijk: Rio is de mooiste en de mooist gelegen stad ter wereld. Ik zie de baai, de witte boogvormige stranden van Copacabana en Ipanema, de hoogbouw en de groene heuvels waarin de stad is ingebed. Voor me ligt de Suikerbroodberg, dat andere symbool van Rio, als een enorme granaat. Het is, ik ben daar zeker van, een vulkanische neck, de opvulling van een kraterpijp. Ook de berg waar Christus Verlosser staat is zo'n neck en ik zie er nog een paar. Het moet hier ooit gekookt hebben. Daar te zijn, met Christus, en uit te kijken over de stad is een heel grote ervaring. De Lonely Planet schrijft "Ga niet, nooit een favela binnen". Een favela is een sloppenwijk. Ik ben in een favela geweest. Niet schrikken: ik was er met een gids; een tripje. Ik wilde weten hoe het leven in zo'n favela is. Ik was bang dat het aapjes kijken zou zijn, vanachter een veilig busraampje. Ik vind dat armoede en ellende geen toeristische bezienswaardigheid kan zijn. En ik was bang dat het erg riskant zou zijn. "Nee" zegt de manager van het hostel "U gaat te voet door de favela. Het is veilig; u kunt uw camera meenemen en foto's maken". En ik doe er ook goed werk mee. In Brazilie is alles "eco" (ecologia of economia?) dan wel "social". De gids heet Luis en zijn organisatie "be a local". Behalve de favelatour organiseert hij favelaparties en uitjes naar het voetbal. Voor dit tripje heeft hij, buiten mij, nog vier andere klanten. We gaan naar de favela Rochina in het zuiden van de stad. 20% van de bevolking van Rio woont in een favela en Rochina is met 200.000 inwoners de grootste (deze en alle feiten die hier na komen zijn van Luis). De wijk staat niet op mijn kaart en hetzelfde geldt voor de 300 andere favela's van Rio. Waar de wijk moet liggen is mijn kaart maagdelijk groen. De hotelbebouwing langs het strand is wel aangegeven. Het Sheraton, dat met vijf sterren behoort tot de duurste hotels van Rio, ligt zo dicht tegen de sloppenwijk dat de gasten de bonen op het bord van de bewoners moeten kunnen tellen, als ze een verrekijker hebben. Met hetzelfde instrument moeten de bewoners de diamanten in de halssierraden van de dames in het hotel kunnen tellen. We bezoeken het cultureel centrum. Ja hoor, Rochina heeft een cultureel centrum. Het wordt gesponsord door Petrobras en de Banco de Brasil en nog wat grote ondernemingen. Er wordt veel gesponsord; "social" heet dat. Binnen is een computerlokaal, een zaaltje en een kunstatelier. En hier is de kunst waarnaar ik in Brazilie heb uitgekeken: kleurig en vrolijk; volkskunst, kunst van het hart, geen intellectuele kunst die zich druk maakt over stijlen en stromingen, "conceptueel" of "experimenteel" is. Ik vraag aan de kunstenaar of ze connecties hebben. Jawel, af en toe proberen ze wat te verkopen aan de toeristen langs het strand. Zo kom je van de kunstbusiness in de souvenierbusiness. Ze hebben geen relaties met galeries en dan wordt het erg moeilijk van de kunst te leven. Jammer. Tegen de deurpost hangt een lange zwarte slungel, het type waaraan Brazilie erg rijk is. In het uniform van de armen: kniebroek met elastiek, voetbalshirtje en slippers aan de pootjes. Douglas heet 'ie en in zijn handen heeft hij een werkje dat hij mij wil laten zien en natuurlijk verkopen. Het is een gezicht op Rio; kleurrijk en kinderlijk geschilderd met acrylverf op hardboard. Ik koop het voor dertig reais, als aanmoediging en in de hoop een vroeg werk te hebben gekocht van een later heel beroemd kunstenaar. Verder naar beneden. De wijk is boven redelijk schoon maar nu wordt het toch viezer. Veel zwerfvuil en het stinkt er. Het pad wordt glibberig en er liggen hondendrollen (Luis: "loop daar niet in, denk aan mijn auto"). Ook vuil gehoorzaamt aan de wetten van de zwaartekracht. Boven is het betere deel van de wijk, de goudkust zeg maar. In de verte klinkt het geknetter van vuurwerk: benden die waarschuwen voor de komst van de politie of elkaar. Zo gewoon is de wijk nou ook weer niet. Plotseling wordt Luis paniekerig: "niet fotograferen, nu niet fotograferen". Er staan drie jongens met vuurwapens op het platte dak van een huis. Even later passeren we er in de steeg nog twee, met het pistool in de hand. Het zijn leden van Het kinderdagverblijf wordt gesteund door "be a local" en behoort tot de verplichte nummers van de trip, net als het bezoek aan het cultureel centrum. Er hangen briefjes in het Engels met het verzoek de lokalen niet te betreden met schoenen aan, vanwege het straatvuil, en er is natuurlijk een donatiebus. Het is een kleurig gebouw, als elk kinderdagverblijf, met witbetegelde vloeren, zalmkleurige muren, matjes en bedjes, tekeningen en knipsels. Er is een badruimte, brandschoon, en een keuken. Ik zie drie groepen kinderen, peuters en kleuters; ongeveer dertig. De naschoolse opvang moet nog komen. Er worden drie maaltijden per dag verzorgd; vanmiddag eten de kinderen kip met rijst en bonen en gekookte groenten. Deze kinderen krijgen thuis niet te eten; de ouders zijn aan de drugs of de drank, vaker aan allebei. Ik vraag of honger voorkomt. Ja, het komt voor. In dit land, waar eten vaak de dimensie van een grande bouffe nadert, komt honger voor. Ik vind dat onverteerbaar. Dan zijn we plotseling beneden, aan de grote weg op de grens van de favela en de 'gewone' wereld. De overgang wordt treffend gemarkeerd door een politieauto met zwaar gewapende en kogelwerende vesten dragende agenten. Luis: "als jullie hier nu niet met mij zouden zijn, dan zouden ze jullie van top tot teen hebben gefouilleerd op het bezit van drugs". Het is onzinnig: in de straat van de jeugdherberg, in de keurige wijk Humaita, staat een jongen die Rochina is me meegevallen maar Rochina is dan ook een 'geurbaniseerde' favela, een 'betere buurt' (inmiddels weet ik dat het veel erger kan zijn maar naar die buurten gaat "be a local" niet; Luis is niet suicidaal). Armoede zoals ik op veel andere plaatsen ben tegen gekomen. Khumsan in Luxor woont met 10 familieleden in een klein bakstenen huisje van twee kamers. In Centraal Azië en Rusland maakte ik kennis met de armoede van de lege maag (dat is niet hetzelfde als honger; erg lang een lege maag hebben leidt tot honger): "alstublieft, koopt u een broodje voor me, alstublieft". De armoede van Khumsan is 'nette armoede'. Rochina is een achterbuurt, een buurt met eigen normen en regels, een buurt waar niet de overheid de baas is maar de benden. Dat is, denk ik, het probleem van Rochina en dat is een heel taai probleem. Het is niet het probleem van een onverschillige overheid of een onverschillige samenleving. Rochina mag dan niet op de kaart staan, er is wel een buslijn, er is electriciteit aangelegd, er is een medisch centrum en langs de steile berghelling is een aquaduct aangelegd om te voorkomen dat de wijk door het regenwater wordt weggespoeld. Het is misschien niet voldoende maar het is zeker ook geen onverschilligheid. Het bedrijfsleven sponsort talloze projecten en zet mensen aan het werk. De jongens van de motortaxi dragen hesjes van de Banco de Brasil. De helft van de bevolking van Rochina heeft werk. Dat is niet voldoende maar op het vlak van 'werk, werk, werk' levert Brazilie prestaties die op mij grote indruk maken. Er zijn hier gigantische legers vuilnisophalers, plantsoenarbeiders, parkeerwachters (in een hesje met 'estancionamente' er op en de vergunning om de nek), koeriers. Op elke bus zit een chauffeur en een conducteur en er zijn vreselijk veel bussen. De omvang van de bewakingsindustrie is verbijsterend. De jeugdherberg heeft full time een bewaker in dienst - naast acht andere medewerkers - die niets anders doet dan staan. De leden van de middenklasse hebben allemaal een hulp in de huishouding; de rijken bovendien nog een tuinjongen en een kindermeisje. Als ik bij Lav&Lev mijn wasje doe zie ik de een na de ander - op de fiets met een mand voorop - de hemden van meneer en de jurken van mevrouw brengen of halen. Dan heb ik het nog maar niet over de enorme aantallen taxichaufeurs, obers, De verlossing moet van de mensen zelf komen. Ruding, de voormalige minister van Financien, had wel gelijk met zijn opmerking over "bij tante Truus blijven zitten". Hij besefte niet hoe moeilijk het is om uit de gevangenis van de omgeving en in beweging te komen. Het kan. In Foz de Aguacu - beroemd van de watervallen en de Itaipu stuwdam - zag ik hem staan. Op een kruispunt met een spandoek "Droga Mata Jesus Liberta" - drugs vermoorden, Jezus bevrijdt - helemaal alleen. Dat vind ik durven want je staat daar goed voor paal. Ik wil een foto van hem maken, vraag of het mag (het mag) en zo raken we in gesprek. Hij heet Ronaldo, komt uit Sao Paulo en zijn verhaal is klassiek: "Ik was verslaafd aan de drugs. Ik was er erg aan toe. Ik had geen vrienden. Toen kwam er iemand naar me toe en nodigde me uit mee te gaan naar een bijeenkomst van christenen. Ik ben er geweest en vond het belachelijk. Toch ben ik nog 'n keer terug gegaan. Toen zag ik dat die mensen vrienden van elkaar waren en elkaar steunden. Dat wilde ik ook want ik had geen vrienden. Ik wilde er graag bijhoren maar dan moest ik van de drugs af. Het was heel moeilijk maar de mensen hebben me vastgehouden en voor me gebeden totdat ik was afgekickt. Toen kon ik een nieuw leven beginnen. Op 'n keer werd er gesproken over de strijd tegen de drugs. De drugs komen hier (bij Foz de Iguacu) het land binnen. Ik heb gezegd: ik ga daar naar toe om actie te voeren. Daarom sta ik hier". Ronaldo lacht stralend in de camera. Gedurende zijn hele verhaal houdt hij dat spandoek boven zijn hoofd en draait met de verkeerslichten mee. Het kwam niet bij En zo kom ik bij pater Gijsen in Belo Horizonte, 450 kilometer ten westen van Rio de Janeiro. Ik heb hem opgebeld en een afspraak gemaakt want ik wil meer weten van de verlossing. Pater Gijsen is het gezicht van en de drijvende kracht achter de hulpverleningsorganisatie Irmão Sol, Broeder Zon. Hij heet hier Frei Mariano maar ik spreek hem gewoon aan met "pater". Dat ben ik gewend. Hoe gaat het hier, pater? Hij is geen man van fluwelen inleidingen. "Er worden hier (in Belo Horizonte) gemiddeld per week 25 jongens vermoord. Jongens in de leeftijd van 14 to 24 jaar, soms van 30. Er is hier nu een meisjesoverschot. De slachtoffers zijn kleine drugshandelaartjes. Ze zijn zelf verslaafd en gebruiken hun eigen koopwaar. Daardoor kunnen ze de grote dealer niet betalen en die laat ze vermoorden. Hier dichtbij ligt een kleine favela van 250 mensen. Daar zijn er het afgelopen jaar zes vermoord. De gemeente kan het niet schelen. Die is die drugsjongens liever kwijt.". Voor mij is het een schok. De pater is de schok al lang voorbij. Hij is niet onverschillig; het gevoel zit achter zijn zachte ogen en de lichte glimlach, de uitdrukking van de gedachte aan een dierbare. Zo spreekt hij ook; hij heeft het over "goeie jongens" en "beste kerels". Pater Gijsen heeft dik wit haar, een forse neus en stevige lippen; een gebeeldhouwde kop en een knappe verschijning. Hij is 84 jaar. Het is lastig hem te volgen: activiteiten, tijden en plaatsen knoopt hij aan elkaar als zinnen zonder punt. De manier van praten van iemand waarvoor het eigen verhaal vanzelfsprekend is. Voor mij is het detectivewerk. Hij is nu 52 jaar in Brazilië, in Rio de Janeiro en Belo Horizonte en misschien in nog wel in andere plaatsen. "Eerst vingen we vooral straatkinderen op. Toen kwamen er veel die door de kinderrechter aan de ouderlijke macht waren onttrokken. Dat met die drugs is pas de laatste anderhalf, twee jaar een probleem geworden. Het zijn de drugshandelaren uit Rio die naar hier zijn gekomen". Wat doet U daaraan, pater? "Ik ga naar die jongens toe en zeg: "als je op straat blijft ga je dood". De meesten kan dat niet schelen. Ik nodig ze uit om hier te komen. Het eerste dat ze doen als ze hier binnen komen is kijken hoe ze er weer uit kunnen en dan zien ze de tralies voor de ramen. Het ritme is ook niks voor ze: om zes uur op, naar de kerk en dan naar school". Hij vertelt een anekdote. "Een bendeleider - 'kolonel' heet dat hier - zegt tegen me: jij pakt mijn kinderen af. Ik heb hem gezegd: "dat is jouw probleem. Jij bent niet goed voor ze. Je woont zelf in een huis en trekt je niets van ze aan. Je komt alleen 's avonds om opdrachten te geven". Pater Gijsen grinnikt. Achter de anekdote zit geschiedenis die hij me niet vertelt en die ik hoor van anderen. In Rio is hij neergeschoten. Een bendeleider voelde zich door het werk van de pater bedreigd en heeft een jongetje opdracht gegeven hem neer te schieten. Een Helpt het, pater? Hij pakt een foto: "die leeft weer op straat. Die is terug gegaan naar de favela. Gelijk zeven kogels in zijn kop. Ik heb hem nog gewaarschuwd. En die is aan het werk.". Een van de drie. Hij heeft weer een anekdote: "We hadden er een, Jeremia. Hij werkte Is het probleem oplosbaar, pater? "Jawel, Brazilië is een rijk land hoor. Maar het geld is in handen van een kleine groep. Ze bewaren het op buitenlandse banken. Geld moet niet bewaard worden, geld moet werken!". Ik houdt hem voor dat, naar mijn waarneming, de middenklasse en de rijken personeel tegen de klippen op aan het werk houden. We praten over Nederland en over zijn jeugd. Hij komt uit Wassenaar en heeft in kamp Vught gezeten. "Er was in Den Haag een Duitse generaal doodgeschoten en toen werden er 2000 van ons opgepakt en naar kamp Vught gebracht om vandaar naar andere kampen in Duitsland Het wordt 12 uur. Jeanne komt binnen. Ze is uit Nederland en hier om een campagnefolder voor Irmão Sol te maken. En Abel komt binnen. Een magere jongen met droeve oogjes. Hij heeft AIDS. Abel en Jeanne hebben iets te bespreken en pater Gijsen heeft een afspraak. "Ga Irmão Sol heeft een aantal opvanghuizen en elk wordt geleid door een "sociaal ouderpaar" zodat een min of meer normale gezinssituatie ontstaat. Ik heb ze allemaal bezocht. Niet ver van het jongenshuis ligt het meisjeshuis en ik ga er heen met Jeanne. Meiden, van die leuke beginnende vrouwen. Ze wonen met vieren op een kamer; meisjes breken de boel kennelijk niet af. Een meisje drukt me onmiddellijk haar huiswerk onder de neus. Ik moet helpen met Engelse woorden, "bread" en "meat", woorden met dezelfde 'ea'-combinatie die je toch anders uitspreekt. En ik moet de plaatjes van sterren bekijken: Britney Spears, Jennifer Lopez en anderen. Geknipt uit tijdschriften en in lijstjes geplakt zoals meisjes dat overal doen. Ik ken al die sterren niet en ze veranderen nogal eens van uiterlijk zodat ik de draad kwijtraak: "nee, dat is Jennifer Lopez, zie je dat niet". Ik zie dat niet. We lunchen met de meiden. Rijst met bonen, pasta, een schijf gehakt, een glas vruchtensap; het Braziliaanse basisvoedsel. Geen luxe. Met William, Braziliaans medewerker van Irmão Sol, bezoek ik de overige opvang. Die William is een opmerkelijk figuur. Hij heeft een goed lijf, traint vast en zeker op een sportschool, modieuze kleren en rijdt rond in een zwarte BMW met getinte ruiten. Een overjarig model dat wel, de naden van de zwartleren bekleding laten los, de voorruit is gebarsten en ik meen een trage motor te bespeuren, maar toch: een BMW. William houdt duidelijk van een prettig leven. Hij gaat niet onder zijn hulpverlening gebukt en dat is goed. Hij zet zich in en toont wezenlijke interesse. Hij is populair en vast en zeker een rolmodel voor de jongens (en meisjes). De opvang: het peuter- en kleuterhuis - veel natte broeken; er is daar een tekort aan menskracht - en het jonge jongenshuis met bengels tot jaar of 14. Leuke brutale gezichten. Het opvangsysteem van Irmão Sol is naar leeftijdscategorie georganiseerd; een doorstroomsysteem. Het sluitstuk is een complex van kleine woningen voor werkende jongeren. Die leven er helemaal zelfstandig, zonder begeleidend ouderpaar. Ze betalen geen huur en kunnen van hun salaris sparen om zelf een huis te bouwen. Zo wordt voorkomen dat ze alsnog op straat belanden. Als we het complex bezoeken is maar een bewoner aanwezig die een vrije dag heeft. De rest werkt, zoals het hoort, in nette banen: een hotel, tuin, laboratorium, motorwerkplaats. Verlost uit een uitzichtloos bestaan en gekomen tot gewoon normaal geluk, moeizaam bevochten. Buiten het doorstroomsysteem van opvanghuizen biedt Irmão Sol nog andere hulp. We bezoeken een complex van woninkjes die Irmão Sol huurt voor dakloze jonge gezinnetjes. Ruwe, gammele bouw, niet te vergelijken met de huizen van Irmão Sol zelf. De gezinnen hebben een dak boven het hoofd, ze betalen geen huur, en dat is de hulp. Voor de rest moeten de bewoners zelf zorgen. Het complex is groezelig en rommelig maar het gaat: de hulp is net, net voldoende voor een menswaardig bestaan. Een jonge vrouw toont haar pasgeboren baby. Twee en een halve dag bezocht ik de plaatsen van Irmão Sol en ik ben onder de indruk. Ik ben onder de indruk van de taaie inzet van al die hulpverleners. Ze dweilen met de kraan open - voor elk die de samenleving wordt ingeloodst staat een nieuwe drenkeling klaar - en toch dweilen ze. Dat is bijzonder. Ze doen dat niet om in de hemel te komen maar uit liefde. Dat is een ijzersterke motivatie. Ik ben onder de indruk van de veerkracht van die kinderen. Van het vrolijke ventje naast me dat zo graag zichzelf ziet in de camera. Zijn vader heeft zijn moeder vermoord. Ieder kind in die huizen heeft zo'n soort achtergrond: verlaten, geen thuis, op straat. Ik ben onder de indruk van die snuivertjes die toch weer zo aardig op de pootjes staan dat ze praatjes krijgen. Goeie jongens en meisjes, beste kerels en vrouwen. Ik heb gezien hoe de verlossing tot stand komt. Ik bel de pater om hem te bedanken voor die ervaring. Hij: "Ik ben blij dat je genoten hebt. Leuk he? al die kinderen! "Kan ik nog iets voor u doen, pater? "Nou, eh, nee. Hier niet. Maar als je weer in Nederland bent, vertel dan eens over Irmão Sol. Ze halen wel eens wat geld voor ons op". Dat doe ik graag, niet om in de hemel te komen maar uit liefde voor de pater en zijn werk. Giro 4686948 tnv Broeder Zon, Wassenaar/Wateringen. Misschien, heel misschien, kunnen die kinderen ook 'n keer naar het kilorestaurant; met kerstmis bijvoorbeeld. Hartelijke groet, Mart PS: Voor pater Gijsen ben ik naar Belo Horizonte gereden want verder valt hier niet veel te beleven. Irmão Sol, Broeder Zon, verdient steun. Laat me eens weten wat je doet (niet hoeveel, dat gaat me niet aan). |
